Jezus komt tijdens de storm

Ik wil het vandaag hebben over hoe Jezus ons wil helpen.

Ik wil spreken over de passage in  Matteüs 14 waar Jezus, indien nodig, zelf op het water loopt om Zijn discipelen te helpen. Laten wij daar even naar toe gaan. Matteüs 14: 22 - 27: 22 En meteen dwong Jezus Zijn discipelen in het schip te gaan en voor Hem uit te varen naar de overkant, terwijl Hij de menigte weg zou sturen. 23 En toen Hij de menigte weggestuurd had, klom Hij de berg op om er in afzondering te bidden. Toen het avond was geworden, was Hij daar alleen. 24 Het schip was al midden op de zee en verkeerde in nood door de golven, want ze hadden de wind tegen. 25 Maar in de vierde nachtwake kwam Jezus naar hen toe, lopend over de zee. 26 En toen de discipelen Hem over de zee zagen lopen, raakten zij in verwarring en zeiden: Het is een spook! En zij schreeuwden van angst. 27 Maar meteen sprak Jezus hen aan en zei: Heb goede moed, Ik ben het; wees niet bevreesd.

Ik zal hier even stoppen en straks weer verder lezen. Wat gebeurt er? Jezus en Zijn discipelen waren aan de ene kant van de zee, van het meer ven Galilea. Het meer van Galilea ligt in het noorden, Dus, het is niet de Dode Zee. Als er ooit iemand zegt tegen u: Jezus liep over het water want het was op de Dode Zee. Wel, het was niet op de Dode Zee, Het was op het meer van Galilea. Het was dus niet door het zoutgehalte dat Hij kon lopen op het water. Neen, het was een normale zee.

Ze hadden juist de wonderbare spijziging gehad. Die menigte was daar en Jezus had de vijf broden en de twee vissen vermenigvuldigd, iedereen had gegeten, allen waren verzadigd en ze raapten het overschot van de stukken broden op, twaalf manden vol. Vijfduizend mannen waren gevoed, vrouwen en kinderen niet meegeteld. En op dat moment zegt Jezus tegen Zijn discipelen: Ga maar, ga maar naar de overkant. Een beetje raar dat Jezus zegt: Ga maar naar de overkant, Ik kom later. Vaar maar uit , Ik zal wel zorgen dat die menigte, waarschijnlijk tien- of vijftienduizend mensen, dat die terug naar huis vertrekken.

En wanneer zij wegwaren, klom Hij op de berg om er in afzondering te bidden. En toen het avond was geworden, was Hij daar alleen. Dus, Zijn discipelen zijn vertrokken toen het nog licht was. Toen het avond werd, toen was Hij daar alleen. In vers 24 staat: Het schip was al midden op de zee en verkeerde in nood door de golven, want ze hadden de wind tegen. 
We zijn gaan varen deze week, we zijn gaan zeilen. En als je zelf al eens gezeild hebt snap je beter wat er hier staat. Als je zeilt moet je zorgen dat de wind in je zeilen komt om vooruit te gaan. En dat is allemaal leuk en goed en rustig als de wind vanachter komt, omdat je dan gewoon je zeil zet en de wind blaast achter je en de boot blijft mooi plat. Maar als de wind tegen zit dan kun je nog vooruit, je kunt tegen de wind invaren. Maar daarvoor moet je zigzag varen. Je moet zorgen dat de wind in je zeil zit en dan kan je zo vooruit varen. Natuurlijk duurt dat veel langer. Dus als de wind tegen zit duurt het heel lang om aan de overkant te geraken. Maar als de wind tegen zit en het begint te stormen, dan heb je serieus pech, want dan moet je stoppen, want je boot zit met de wind zijdelings. Wat gebeurt er? Je boot hangt schuin. Dat doet heel raar. Aan de boot hangen als de wind zijkant zit dan zit je juist boven het water en de anderen hangen in de lucht. Dat hebben wij meegemaakt deze week. We waren uitgevaren, uit de rivier, en als we moesten terugvaren was het tegen de wind. En dan hingen wij toen schuin naar links en dan eens naar rechts, iedereen kon eens dicht bij het water zitten en iedereen eens in de lucht. Maar dat is heel veel werk want je moet heel de tijd uw zeil wisselen van kant. Het is echt wel werken op de boot als je tegen de wind invaart.

Dus, die discipelen waren heel druk bezig om aan de overkant te geraken. Maar het lukte niet, want de wind werd een storm. En op het meer van Galilea gebeurt het heel vaak dat stormen heel plots komen. Omwille van de ligging tussen de bergen in, gebeurt het dat er heel snel stormen komen op dat meer. En wat moet je dan doen? Dan moet je het zeil wegbergen, opbergen want het zeil zou scheuren van de wind. En bovendien, als je tegen de wind invaart en er is een storm dan komt al dat water in je boot. Dat is geen goede zaak. Dus wat moet je doen? Je moet tegen de wind gaan invaren, uw boot proberen te navigeren, zonder motor is dat niet zo simpel denk ik. Als je gewoon een roer hebt moet je proberen de boot tegen de golven in te brengen, zodanig dat de voorkant van uw boot omhoog gaat in plaats van de golf in de boot. Dus, die discipelen waren heel druk bezig.
Er staat: Het schip was al midden op de zee en verkeerde in nood door de golven, want ze hadden de wind tegen.
Dat is wel leuk om eens mee te maken, omdat je dan die tekst anders leest
25 Maar in de vierde nachtwake kwam Jezus naar hen toe, lopend over de zee. 26 En toen de discipelen Hem over de zee zagen lopen, raakten zij in verwarring en zeiden: Het is een spook! En zij schreeuwden van angst.
Kan je je voorstellen? De discipelen zitten daar in die boot, die golven gaan op en neer, ze proberen die boot tegen de golven in te krijgen, en daar komt opeens Jezus af, wandelend op die zee, op de golven die zo omhoog en naar beneden aan het gaan zijn. Het was geen rustige zee, het was een storm. Ze zagen Hem opeens lopen en ze raakten in verwarring en zeiden: Het is een spook! En zij schreeuwden van angst.

Ze waren nog niet bang genoeg in die storm en ze begonnen te roepen: Hey, een spook! En ze zagen Hem opeens lopen en ze raakten in verwarring en ze zeiden: Het is een spook!  En zij schreeuwden van angst.

Jezus verschijnt in de vierde nachtwake, dat is tussen 3 u en 6u 's morgens. Dus ze zaten al een tijdje op die boot. Van voor het donker werd tot tussen 3 u en 6 u 's morgens, toen dat Jezus kwam. Het is hard werken op een boot. Wij hebben het maar één dag gedaan, maar de volgende dag waren wij moe. Want je moet tegen de wind in, voortdurend het zeil wisselen van kant, alles weer vastbinden, alles losmaken aan één kant, om dat zeil te wisselen en te zorgen dat het niet wegwaait. Het was dan nog een zeilboot waarbij  je gemakkelijk kon trekken aan die touwen omdat er daar een spoel op zit. Je kunt redelijk gemakkelijk trekken. Maar dat was in die tijd niet zo. Het was trekken, vastbinden. Bij ons, als je iets moest vastbinden, dan zat er daar een slot op, dus je kon dat touw vastklemmen en dan je nog een beetje harder trekken. Maar dat hadden zij allemaal niet. Het was effectief, serieus zware arbeid. En Jezus verschijnt. Jezus had gezegd: Ga maar al, Ik kom. Maar Hij had niet gezegd hoe. Jezus had gezegd: Ga maar al, Ik kom. Jezus wist wat er ging gebeuren. Jezus wist dat ze in een storm zaten. Misschien, maar het staat hier niet beschreven, misschien heeft Jezus geprobeerd met een boot naar hen toe te gaan, maar wie zal er beginnen zeilen als het stormt? Er zal geen enkele kapitein van een boot zeggen dat hij u zal brengen terwijl het stormt. Hij zal zeggen: Wacht tot de storm voorbij is. Maar Jezus wist: Ze zijn in nood. Dus Jezus vertrok. Hij begon op het water te wandelen. En de discipelen zien Hem en ze zijn bang. En Jezus zegt: Hebt goede moed, wees moedig, Ik ben het; wees niet bevreesd. Wees niet bang. 
Jezus, waarmee ze al geruime tijd gewandeld hadden, van Wie ze wonderen gezien hadden, van Wie ze het Woord van God op een heel andere manier gehoord hadden. Jezus, Die hen de macht gegeven had om wonderen te doen - Hij had hen uitgestuurd, en zij hadden wonderen gedaan -, Jezus, Die de wonderbaarlijke spijziging gedaan had, Jezus, Die al eens in de boot gezeten had met hen en de storm gestild had, Die kwam opeens op het water lopen. Het was niet dat ze al niets gezien hadden van Jezus. Neen, ze kenden Jezus al. Ze hadden al gezien wat Hij kon doen. En Hij kwam en ze waren bang. En soms is dat voor ons ook zo. Soms zitten we in een storm, dat is het leven, zo is het leven nu eenmaal. Het mooie aan christen zijn is dat we iemand hebben die voor ons zorgt, we moeten het niet alleen doen, Hij is bij ons. En niet alles loopt perfect omdat je wedergeboren bent. Neen, dat is niet zo. Je hebt leven, zoals ik vorige week predikte, leven en leven in overvloed. Maar dat wil niet zeggen dat er niets gebeurt. Daar heeft het niets mee te maken. Ja, dat is het leven. Er komen stormen, er is soms veel wind, maar het mooie is dat Jezus komt. En als het nodig is, loopt Hij op het water, als het nodig is, komt Hij op manieren die wij ons niet kunnen inbeelden. Maar dat is onze God. Eén ding is zeker, als wij Zijn discipel zijn dan zorgt Hij voor ons, als wij Zijn discipel zijn, dan zal Hij komen. En Jezus, Die kwam. Die kwam al lopend op het water. Ik weet niet of je dat ooit al eens geprobeerd hebt, maar dat lukt niet. Ons soortelijk gewicht vergeleken met het soortelijk gewicht van water is anders, dus je zinkt. Je zweeft niet op dat water, je kunt niet op dat water wandelen. En wat er ook gebeurt met de zee laat je niet toe om daarop te wandelen. Neen, als het stormt, integendeel, al die golven die over je komen, het wordt nog erger. Soms zijn wij verward zoals de discipelen. Er is een storm in ons leven en er is van alles bezig en wij proberen die boot recht te houden, we proberen om niet onder te gaan, en Jezus komt. We hadden gebeden: Jezus, komt ons helpen; en we hadden ons zelfs ingebeeld hoe dat het moest gebeuren, en Jezus Die komt op een andere manier. We zijn verward. Is dat nu Jezus? Is dat Jezus Die dat nu aan het doen is? Is dat de H. Geest Die aan het werken is in ons leven? Maar Jezus zegt: hebt goede moed, Ik ben het; wees niet bevreesd.

God kan dingen doen die wij niet kunnen. Gelukkig. Moest God maar kunnen wat wij kunnen, dan hadden we niet veel geluk zou ik zeggen, dan hadden we het echt slecht getroffen. Maar nu hebben wij een God, een almachtige God, een God Die alles kan, een God Die wonderen kan werken. Maar Hij doet het, Hij is Diegene die het doet, niet wij. Hij is Diegene die werkt. 
En op dat moment zegt Petrus in Matteüs 14: 28  Heere, als U het bent. 
Petrus was het nog niet zeker. Petrus zei: Heere, als U het bent, geef mij dan bevel over het water naar U toe te komen. 
Ik moet toegeven dat hij heel moedig is. Het is aan het stormen he, vergeet het niet. Die boot gaat weg en weer over die golven. Jezus komt en Petrus zegt: Heer, als U het bent, beveel me dan naar U toe te komen. En Jezus zegt: 29 Kom!  Hij beveelt het, want dat was wat Petrus vroeg. En Petrus klimt uit de boot en hij begint op het water te lopen. Petrus gehoorzaamde Jezus en op dat moment kon hij op het waterlopen. En toen keek hij even rond en hij zag de storm. 

30 Maar toen hij op de sterke wind lette, werd hij bevreesd, en toen hij begon te zinken, riep hij: Heere, red mij!

Het is zo menselijk. We zitten in een storm en Jezus zegt: Doet dit. En we beginnen dat te doen, het begint goed te gaan en opeens kijken we rond en zien we weer dat er een sterke wind is, dat die storm nog bezig is en we beginnen weer te zinken. Maar het mooie is dat als we naar Jezus roepen en zeggen: Jezus redt mij! dan komt Hij en redt Hij ons. 
31 Jezus stak meteen Zijn hand uit,- Niet vijf minuten later, neen, meteen - greep hem vast en zei tegen hem: Kleingelovige, waarom hebt u getwijfeld?
Als Jezus zegt: Kom, of als Hij iets anders zegt, dan moeten wij gehoorzamen. En als wij gehoorzamen dan kunnen wij dingen doen die wij niet voor mogelijk houden,  want wij hebben een God Die alles kan. Voor Hem is er niets onmogelijk. En als Hij ons beveelt iets te doen, dan moeten we gehoorzamen. En als wij gehoorzamen dan zal Hij het doen. Maar als we kijken naar wat er rond ons is, als we bezig zijn met 'wat zullen de mensen denken', ja, dan gaat de storm verder. Wij moeten luisteren naar Hem, wij moeten Hem gehoorzamen, en niet twijfelen. Jezus zei: Waarom heb je getwijfeld? Je had het Mij gevraagd: Beveel mij om te komen. En Ik heb gezegd: Kom! En toen je gehoorzaamde, toen je niet aan het twijfelen was, toen je gewoon deed wat Ik zei, toen kon je wandelen op het water. Maar op het moment dat je twijfelde, begon je te zinken. 
En zo moeten wij ook vasthouden aan Gods Woord. Wat God zegt is waar, wat God spreekt in ons leven is waar. Of er nu een storm is of niet, dat is niet belangrijk, wij mogen niet twijfelen, wat er ook gebeurt. En wat mij opviel is dat de storm maar ophield toen zij in de boot klommen. De hele tijd was die storm bezig en Jezus was aan het werken, Jezus was daar. In de moeilijke tijden draagt Hij ons. In de storm was Jezus daar. Dat wil niet zeggen dat de storm direct voorbij is, maar de storm zal voorbij gaan, Hij zal die storm stillen. 
32 En toen zij in het schip geklommen waren, ging de wind liggen. 33 Zij die in het schip waren, kwamen Hem aanbidden en zeiden: Werkelijk, U bent de Zoon van God!

De discipelen hadden al zoveel gezien van Jezus, zoveel genezingen, zoveel wonderbaarlijke genezingen. Jezus trok rond en alle zieken werden genezen. Het was alleen maar in Nazareth dat Hij niet veel kon doen. Maar voor de rest, overal waar Hij ging werden zieken genezen. Hij vermenigvuldigde die vijf broden en die twee vissen en ze hadden twaalf manden brood over. Maar ze hadden een storm nodig om zich te realiseren dat Hij de Zoon van God was. Want toen zeiden ze: Werkelijk, U bent de Zoon van God!
Soms is het voor ons ook zo. Soms hebben wij een storm nodig en Jezus Die ingrijpt, Jezus Die tot ons komt opdat wij zouden tot dat besef komen, tot dat inzicht. En ik denk dat het voor velen van ons zo was, velen van ons zaten in een moeilijk moment toen dat God, dat Jezus tot ons kwam en ons redde. En op dat moment realiseerden wij werkelijk: U bent de Zoon van God.


U kunt zich de vraag stellen: waarom stuurde Jezus hen op pad, op het water? Als Hij wist dat er een storm kwam kon Hij toch zeggen: Blijft veilig aan land. Maar Hij stuurde hen de zee op, Hij stuurde hen die storm in, want Hij wilde dat zij zich realiseerden, tot het besef kwamen dat Hij de Zoon van God was. Hij wilde dat zij wisten dat Hij wonderen kon werken, dat Hij kon lopen op water, iets wat niemand kan. En Hij wil ook dat ze beseften dat Hij hen te hulp zou komen, wat er ook gebeurt. Wanneer we in nood zitten, wat die situatie ook is, of het nu een storm is op zee of een storm in ons leven, uitdagingen, problemen, Hij weet het. En Hij wil ons te hulp komen, Hij wil ons helpen want Hij is bij ons. Maar we moeten het toelaten. We kunnen proberen zelf die boot te sturen en aan land te geraken of we kunnen Jezus op onze boot nemen zodat de storm stopt. We kunnen Jezus toelaten in ons leven.

Hebr. 13: 5 - 6: 5 Ik zal u beslist niet loslaten en Ik zal u beslist niet verlaten. 6 Daarom zeggen wij met goede moed: De Heere is voor mij een Helper en ik zal niet vrezen.  
Dat is de realiteit waarin wij kunnen leven: Ik zal u beslist niet loslaten.  Eens dat Hij ons vast heeft laat Hij ons niet los. Ik zal u beslist niet verlaten. 6 Daarom zeggen wij met goede moed: De Heere is voor mij een Helper en ik zal niet vrezen. 
Wij hoeven niet te vrezen, wij hoeven geen geest van angst te hebben. Wij hebben God, Jezus Christus in ons, de hoop op heerlijkheid. Wij hoeven niet te vrezen. Maar we moeten Hem wel toelaten om iets te doen, wij moeten Hem laten werken, op de manier dat Hij wil. Soms proberen wij Jezus in een bepaalde richting te duwen. Wij willen Jezus ook in die boot duwen, de zee op, maar Hij wil wandelen. Maar laat Hem wandelen. Laat Jezus doen wat Hij wil doen en alles zal ten goede werken. Laat los en laat Hem verandering brengen, laat Hem die storm stillen in je leven, want Hij kan het. Hij kan alles, niets is te moeilijk, niets is onmogelijk voor Hem.

 Dat is wat ik u vandaag wou meegeven. Heel kort, maar zo belangrijk. Dat wij op Jezus mogen vertrouwen, maar dat Jezus soms komt op een manier die wij ons niet kunnen inbeelden. Amen?

Laten wij bidden. Heer God, almachtige Vader, Heer wij danken u. Wij danken u Heer dat U op ons pad kwam. Wij danken U Heer dat U ons pad veranderd hebt, dat U ons op een andere weg gezet hebt. De weg die naar U leidt. Help ons Heer om op die weg te blijven, help ons Heer om U te volgen. Wij danken U Heer dat, als het nodig is, Jezus op het water loopt voor ons, dat Hij dingen doet die wij niet kunnen, dat Hij ons te hulp komt in elke situatie die wij hebben. Heer, geef ons een hart dat vertrouwt op U, ook al zien wij geen uitkomst Heer, dat ons hart mag kijken en vertrouwen op U, dat ons oog alleen gericht mag zijn op Uw Zoon Jezus Christus en dat wij een wonder mogen verwachten, Heer, dat wij een hart mogen hebben, dat U wil ontvangen; dat wij een hart hebben, Heer, dat uitkijkt naar U en niet bang wordt wanneer U komt, maar vol vreugde U ontvangt. Dank U Heer, dat U steeds bij ons bent. Dank U dat U een almachtige God bent, Schepper van hemel en aarde. Dank U, Heer, dat er voor U niets onmogelijk is. Heer, wij zoeken Uw leiding en wij bidden U, Heer, dat U ons zou tonen wat wij moeten doen.   

Previous
Previous

Zoek de dingen die boven zijn