Ben je bereid Jezus te volgen? (deel 3)

De boodschap vorige week had als titel, zou je kunnen zeggen: De oproep tot toewijding, de oproep tot commitment en de vraag die ik jullie gesteld had, was: ben je bereid Christus te volgen? Wat ook de gevolgen zijn?

Hoe bereid ben je? Waar sta je met je commitment? Waar sta je met die toewijding? Ik had jullie beloofd dat het een uitdagende boodschap ging zijn en dat ik jullie ging uitdagen omdat ik zelf ook uitgedaagd werd.

Toen ik dat voorbereidde en zelfs terwijl ik het predikte, werd ik uitgedaagd. Dat is het voordeel. Je krijgt het twee keer of zelfs meer.

Ik had jullie gezegd: De meesten onder ons hebben Christus aangenomen als persoonlijke verlosser. Maar is hij ook Heer en Meester van ons leven? Is er een moment geweest in ons leven waarop we gezegd hebben: "Jezus, hier is mijn leven? Doe ermee wat je wil!"

Ik had jullie verteld dat toewijding - commitment - dat dat te maken heeft met een moment waarop je beslist, en dat is een moment dat kan terugkomen. Ja, dat je zegt: Ik geef mijn leven over. Ik leg mijn leven neer, vrijwillig, bewust, voor mijn Heere Jezus Christus, wat Hij ook wil, ook wel waartoe Hij mij ook roept.

We hadden gesproken over Romeinen hoofdstuk 12 vers 1. En misschien gaan we er even naar toe, gewoon om even op te frissen. Romeinen hoofdstuk 12 vers 1, waar Paulus zegt: Ik roep u er dan toe op broeders, door de ontfermingen van God, om uw lichamen aan God te wijden als een levend offer, heilig en voor God welbehaaglijk: dat is uw redelijke eredienst. En ik had jullie verteld dat als er geofferd werd, dan kwamen de mensen met een dier, dan kwamen mensen met een reukoffer, ja, met iets en men gaf dat aan de priester.

Dus dat is het offer. Wat Christus van ons verwacht is dat wij ons leven aan Hem geven, dat ons leven niet meer van ons is, maar dat het van Hem is. Dat is wat heer en meester wil zeggen en het is niet voldoende om Jezus te aanvaarden als persoonlijke Verlosser. Neen, wij moeten ons leven neerleggen zoals Christus Zijn leven neergelegd heeft voor ons. We hadden gesproken over Jezus. Wat zei Jezus? "Ik ben niet gekomen om Mijn wil te doen, maar om de wil van de Vader te doen." Jezus, de Zoon van God, die zegt: Ik ben hier niet om mijn eigen ding te doen. Ik ben hier om te doen wat God gepland heeft. De vraag die ik gesteld had was: Wat willen wij doen? Willen wij ons eigen ding doen of willen wij doen wat God van ons verlangt? Je eigen ding doen is niet Bijbels.

We hadden gesproken over Mozes in Exodus hoofdstuk 3 en 4, waar we zien dat Mozes gered was door God. Eigenlijk moest hij gedood worden, maar ze hadden hem in een mandje gezet, bestreken met pek en ze hadden hem in een mandje gezet in de Nijl. De dochter van de farao had hem gevonden. Hij werd opgevoed door zijn moeder en dan werd hij naar de dochter van de farao gebracht en hij was in het huis van farao gedurende 40 jaar. Maar toen vermoordde hij iemand. Hij doodde iemand. Hij vluchtte en vluchtte naar de woestijn of het uiteinde van de woestijn.

Hij was daar 40 jaar als herder en op een dag wandelt hij met zijn schapen.

Een dag als een ander. Hij werd wakker en hij dacht: wat ga ik vanmorgen doen? Een keer op de tablet spelen? Nee, dat bestond nog niet. Een keer naar televisie kijken? Neen, dat bestond niet. Wat deden ze? Ze pakten hun schapen en wandelden rond, gaven ze eten, gaven ze water en de dag was voorbij. Er gebeurde niet veel in die dagen. Er was weinig afleiding. Henk Binnendijk zegt dat heel goed. Hij spreekt over afleiding, verleiding en misleiding. Maar wij moeten Gods leiding hebben, niet die andere drie. Mozes had geen afleiding. Mozes had alleen zijn kudde. En hij zorgde voor die kudde, voor dat kleinvee. En Mozes was aan het wandelen We hebben gezien: Mozes was aan het wandelen en opeens zag hij dan die struik. Die struik stond in brand en er was vuur, maar dat vuur verteerde die struik niet. Er was vuur. Er staat dat de Engel des Heren als een vuur in die struik wakkerde. Maar die struik bleef daar staan en Mozes dacht: Dat ziet er interessant uit. Daar moet ik toch eens naar gaan kijken. We gaan even naar Exodus hoofdstuk 3. En aan de hand van de passage in Exodus hoofdstuk 3 en 4 wil ik vier vragen stellen en de eerste twee vragen heb ik jullie vorige week al gesteld. Maar ik ga ze even kort herhalen. Moest je ze vergeten zijn en ook voor de nieuwe mensen, wil ik ze toch nog even herhalen.

Ja, wat zien we in Exodus hoofdstuk 3, vers 2:'En de Engel van de HEERE verscheen hem in een vuurvlam uit het midden van een doornstruik. Hij keek toe, en zie, de doornstruik brandde in het vuur, maar de doornstruik werd niet verteerd. 3 Mozes zei: Laat ik nu naar dat indrukwekkende verschijnsel gaan kijken, waarom de doornstruik niet verbrandt. 4 Toen de HEERE zag dat hij ging kijken, riep God tot hem uit het midden van de doornstruik en zei: Mozes, Mozes! Hij zei: Zie, hier ben ik!' Mozes, die zag dat indrukwekkend verschijnsel. Hij dacht: Laat ik daar eens naar gaan kijken. Waarom die doornstruik niet verbrandt? En op dat moment zag God dat Hij de aandacht had van Mozes. En God zei: "Mozes". God zag dat hij ging kijken en op dat moment sprak God. Net zoals in ons leven. Het moment dat God ziet dat wij kijken, dan spreekt Hij tot ons. Zolang we bezig zijn met ons eigen ding, met onze prioriteiten, dan zegt God misschien heel veel, maar wij horen het niet. We zijn zo bezig. Wij zijn zo bezig om ons eigen ding te doen, maar Mozes stopt met het doen van zijn eigen ding. Hij stopt met het hoeden van zijn kleinvee en hij gaat kijken. En op dat moment zegt God: "Mozes". En Mozes zegt: "Hier ben ik". Als God tot ons spreekt, is dat onze respons?

Als God zegt, zeggen wij: "Hier ben ik. Heer, wat u ook vraagt, dat ga ik doen."

En God begint hier een gesprek met Mozes en Hij zegt in vers 5: 'Kom hier niet dichterbij. Doe je schoenen van de voeten, want de plaats waarop je staat is heilige grond.' En in deze passage gebeurt iets heel speciaals. Mozes was de zoon van farao. Hij was in farao's huis, het huis van de koning en was een prins, maar hij moest vluchten omdat de farao hem wilde doden en hij werd een herder. Hij ging van heel hoog naar heel laag.

Maar op dit moment - Mozes, 80 jaar oud - zien we dat God hem roept. God roept hem om de redder te worden van Zijn volk, om de leider te worden van Zijn volk. De gids, de raadgever, de rechter, en we zien dat verder in de boeken dat hij ook rechter is voor zijn volk. Mensen komen bij hem om te vragen: "wat moet er gebeuren?" En hij heeft een enorme verantwoordelijkheid gekregen van God. God stelt hem aan om Zijn volk te leiden. Ik was daar vanmorgen over aan het nadenken. Dat is niet min. God vraagt aan Mozes om Zijn volk te leiden. In de ogen van Zijn volk was Mozes geen Israëliet. Hij was de zoon van de dochter van de farao. De kleinzoon van de farao die een moord begaan had. Dat was de persoon die hij was.

Een beetje zoals Paulus die begint het evangelie te prediken en iedereen zegt: "Wat is dat hier?". Hij vervolgt ons eerst en nu predikt hij Jezus Christus.

Op die manier gaat Mozes terug. Op verschillende momenten stelt Mozes verschillende vragen, maar de eerste vragen die hij stelt is:" Wie bent u?" Dat was de eerste vraag die ik jullie verteld had die wij moeten beantwoorden om te weten waar wij staan met ons, met onze toewijding aan ons commitment. Eerste vraag is: "Wie is deze God?" En het antwoord van God was in vers 6: 'Ik ben de God van uw Vader, de God van Abraham, de God van Izaak en de God van Jakob. En Mozes bedekte zijn gezicht, want hij was bevreesd God aan te kijken’. Mozes kende die God. Zijn moeder had hem over die God verteld. Hij kende die God. En een beetje verder zegt God tegen Mozes, in vers 14: 'Ik ben die Ik ben. Ik ben de Eeuwige God.' En God zei tegen Mozes: "Als je naar de Israëlieten gaat, zeg dan wie Ik ben, zeg dat Ik de God van de vaderen ben. De God van Abraham, de God van Izaak, de God van Jakob. En dat deze God jou gezonden heeft. Vertel hen dat Ik ben die Ik ben." God zegt tegen Mozes: "Laat er geen twijfel over bestaan. Ik ben de schepper van het heelal."

De vraag die God stelt, riep waarschijnlijk heel veel vragen op bij Mozes. Mozes moet dan nu teruggaan na 40 jaar in de woestijn. Waarom zouden ze Mozes moeten volgen? Wie was hij? Hij was een herder, hij was iemand die een moord gepleegd had. Zou farao hem wel laten gaan. Mozes was enorm bezorgd over wat God hem vroeg. Daarom vroeg hij, hij zei niet neen God, hij zei gewoon tegen God: "wat moet ik zeggen?" En God zegt hem: "Zeg wie Ik ben." En de tweede vraag die we ons moeten stellen, als de tweede vraag die Mozes stelt in vers 11. De tweede vraag is: wie ben ik? Ja, Mozes zegt tegen God: nu dat ik weet wie Jij bent, wie ben ik dat ik naar de farao zou gaan en de Israëlieten uit Egypte zo leiden? God antwoordde niet: Mozes, je bent één van hen. Dat was niet het antwoord van God. Het antwoord van God was in vers 12: 'Voorzeker, Ik zal met u zijn, dit zal voor u het teken zijn dat Ik u gezonden heb: Als u het volk uit Egypte geleid hebt, zult u God dienen op deze berg.' God zei tegen Mozes: "Mozes, Ik ben bij jou, Ik heb een relatie met jou."

Ik zal een teken geven. Als u het volk uit Egypte geleid hebt, zult u God dienen. Mozes moest dat niet doen op eigen kracht. Mozes moest zelf niet de Israëlieten uit Egypte krijgen. Hij was uiteindelijk alleen maar de boodschapper. Hij was niet degene die het moest verwezenlijken. God was met hem en we zien doorheen dat verhaal dat God wonderen werkt. En dat uiteindelijk de farao hen laat gaan.

Een beetje later beklaagt hij zich dat. Je kunt hem geen ongelijk geven. Hij had daar 3 miljoen slaven die aan het werken waren aan prachtige monumenten en opeens waren die allemaal weg. Al dat gratis werkvolk. Gelijk welke werkgever zou daar droevig om zijn.

Maar hij had hen in zijn macht en God wilde dat niet. God wilde niet hebben dat de autoriteit over hun leven dat dat de farao was. Hij wilde dat de autoriteit over hun leven God was, de god van Abraham, Izaak en Jakob.

Hij zei tegen Mozes: "Ik ben met jou. Ik zal bij u zijn. Want ik ben de God van uw vader. Ik zal ook op dezelfde manier bij jou zijn." Als wij zeggen dat de God van dit Boek onze God is, dan moeten wij ook Zijn autoriteit aanvaarden. Dan moeten wij aanvaarden dat Hij degene is die ons leven leidt. Dan zijn we dienaars van de levende God, van de eeuwige God. En God wil hebben dat wij inzien wie we zijn, en Hij wil hebben dat we zien wie Hij is, niet een beeld dat we zelf hebben. Hij wil niet hebben dat we zelf een beeld vormen, want dan aanbidden wij een beeld. Neen, Hij wil hebben dat wij Hem aanbidden zoals Hij is.

Daarom heeft hij Zijn Woord gegeven; daarom heeft Hij profeten gestuurd; daarom heeft Hij uiteindelijk Jezus Christus Zijn Zoon gestuurd om Zichzelf te openbaren aan ons. Dat wij mogen zien wie die God is. En niet alleen wil Hij hebben dat wij weten wie Hij is, Hij wil hebben dat we weten wie wij zijn. Wie zijn wij? Wij zijn kinderen van God. Hij heeft ons de macht gegeven om kinderen van Hem te zijn, staat er in Johannes hoofdstuk 1. Dat heeft Hij gedaan in Jezus Christus, die voor ons gestorven is; die opgestaan is uit de dood; die aan de rechterhand van de Vader zit; die in ons leeft. De Bijbel zegt dat God de Vader en Jezus Christus woning hebben in ons.

Hij heeft ons verlost door Zijn bloed. Dat is wie wij zijn. We zijn gereinigd, we zijn geheiligd door de Zoon, we zijn apart gezet. Hij heeft ons uitverkoren. Dan mogen we niet vergeten. We zijn een discipel van Jezus Christus. Wij volgen Hem.

Matteüs hoofdstuk 10, daar wil ik toch even naar teruggaan. Vers 37.

Daar staat: 'wie vader of moeder liefheeft boven Mij, is Mij niet waard; en wie zoon of dochter liefheeft boven Mij, is Mij niet waard. 38 En wie zijn kruis niet op zich neemt en Mij navolgt, is Mij niet waard. 39 Wie zijn leven vindt, zal het verliezen; en wie zijn leven verliest omwille van Mij, zal het vinden.'

Jezus verwacht van ons dat wij snappen wie God is en Hij verwacht van ons dat wij beseffen wie wij zijn in Christus. Maar Hij zegt heel duidelijk dat wij keuzes moeten maken; Hij zegt heel duidelijk dat wij Hem moeten volgen. En Hij zegt wie zijn leven vindt zal het verliezen. Als wij ons eigen ding doen, sorry, dat is niet wat God wil, dat is niet Bijbels. Wij moeten de wil van de Vader doen, net zoals Jezus gekomen is om de wil van de Vader te doen. Want als wij in ons leven ons eigen ding doen, dan verliezen wij het leven dat God ons geeft. Maar als wij ons leven verliezen, als wij ons leven neerleggen, ons eigen ding aan de kant zetten om Gods ding te doen, dan zullen wij het leven vinden, het eeuwige leven.

Dat waren de eerste twee vragen. Wie is die God en wie ben ik? We gaan terug naar Exodus. Maar in hoofdstuk 4 vers 1. Daar zien we dat Mozes begint te twijfelen. En wat zegt Mozes? 'Maar zie, ze zullen mij niet geloven en niet naar mijn stem willen luisteren, want zij zullen zeggen: de Heere is niet aan u verschenen. 2 De Heere zei tegen hem: Wat hebt u daar in uw hand? En hij zei: een staf.3  Hij zei: werp hem op de grond. En hij wierp hem op de grond en hij werd een slang. Mozes vluchtte ervoor.4  Maar de Heere zei tegen Mozes: Strek uw hand uit, en grijp hem bij zijn staart, - toen stak hij zijn hand uit en greep hem vast, en hij werd weer een staf in zijn hand – 5 opdat zij geloven dat de Heere aan u verschenen is, de God van hun vaderen, de God van Abraham, de God van Izaak en de God van Jakob.

God herhaalt continu aan Mozes wie Hij is. Je moet dat eens doorlezen. Het valt op. God blijft het herhalen en Hij geeft aan Mozes tekenen. En Hij spreekt dan over zijn hand steken in zijn boezem. En die hand, die wordt melaats en als hij zijn hand terug steekt in zijn boezem dan is hij terug normaal.

Maar God kent het volk van Israël en God zegt: als dat nog niet genoeg is, als ze niet naar de boodschap van het eerste teken willen luisteren, dat zij dan toch wel, na de boodschap van het laatste teken, zullen geloven. En vers 9: 'En mocht het zijn dat ze die twee tekenen ook nog niet geloven. Ja, God kent de mens. En dan zegt Hij 'dan moet u water uit de Nijl nemen en dat uitgieten op het droge. Dan zal het water dat u uit de Nijl zult nemen veranderen, ja, in bloed veranderen op het droge.

God zegt tegen Mozes: "Ik ben bij u. Ik heb u geroepen om dit te doen." En Mozes kon wegwandelen. Mozes kon zeggen: "God, ik ben bezig met mijn schapen, ik heb het druk." Neen, Mozes zegt: "maar Heer zal dat hier wel lukken? Gaat dat hier wel lukken?" En dan zegt God: "kijk, je gaat dingen doen die je niet kan, je zult tekenen kunnen doen." En dan zegt Mozes in vers 10: Och Heere, ik ben geen man van veel woorden. Dat ben ik sinds jaar en dag al niet, zelfs niet vanaf het ogenblik dat U tot Uw dienaar gesproken hebt, want ik spreek onduidelijk en moeizaam.

De derde vraag die ik wil stellen is de vraag: aan wie behoor ik toe? De eerste vraag was: wie is die God? De tweede vraag is: wie ben ik en de derde vraag is: aan wie behoor ik toe? Wat is Mozes hier aan het doen? Mozes begint excuses te geven. Mozes zegt: "ze gaan niet luisteren naar mij"; hij zegt: "maar ik kan niet spreken, ik heb dat talent niet; God, U hebt de verkeerde gekozen". De alwetende God heeft de verkeerde persoon gekozen. Onze God is een alwetende God.

En Mozes zegt, en hij is niet de enige, ik denk dat iedereen dat doe":' Maar God, ben Jij dat wel zeker?" Ik denk dat God er niet aan begint als Hij niet zeker is. Ik denk dat God heel goed weet wat Hij doet. En toch zeggen wij: "ja, maar Heer, ze gaan niet luisteren, we hebben dat al tien jaar geleden al geprobeerd en dat werkte niet." Tien jaar geleden is nu niet. "Maar God ik kan dat niet." Als God u iets vraagt, dan zal Hij wel zorgen dat je het kunt.

En wat zegt God in vers 11? Wie heeft de mens een mond gegeven? Of wie maakt iemand stom, doof, ziende of blind? Ben ik het niet, de Heere? 12 Nu dan, ga, Ik zal Zelf met uw mond zijn, en u leren wat u spreken moet. God zegt: je bent van Mij. Ik heb u een mond gegeven. Ik ben degene die ervoor zorgt als iemand niet kan spreken of doof is of niet kan zien. En Hij zegt: 'Ga, Ik zal zelf met uw mond zijn en u leren wat u spreken moet.' Dan zegt Mozes: "Dank U Heer". Neen, hij zegt:13 Och Heere, zendt toch iemand anders, door wiens hand U deze boodschap ook maar wilt zenden. Mozes zegt: "Maar God toch, U weet niet waar Gij aan begint. Het is wel aan ik, aan Mozes hé, dat U dat vraagt."

Wat staat er in vers 14? 'Toen ontbrandde de toorn van de Heere tegen Mozes.' Ik denk dat Zijn geduld op was.

Maar God wist dat Mozes dat kon en Mozes zegt: "Pak iemand anders". Wie behoren wij toe? Behoren wij God toe? Kijk als wij gered zijn door Gods genade, gekocht met Zijn bloed, dan heeft Hij voor ons een prijs betaald. Wij behoren hem toe.

Previous
Previous

Ben je bereid Jezus te volgen? (deel 4)

Next
Next

Ben je bereid Jezus te volgen (deel 2)